Vreemde eend zoekt heenkomen (deel1)

Er zit een aangeboren liefde voor Moeder Aarde en Vader Hemel in me.
Ik kan lopen, weliswaar niet ver en zeker niet elegant, maar goed genoeg om mijn kostje eten bij elkaar te scharrelen. Vliegen kan ik gelukkig ook, dan zijn mijn maaltijden wat gevarieerder. Maar zwemmen doe ik het liefst en het best. Tenslotte ben ik daar helemaal op gekleed. Vanuit allerlei perspectieven kan ik de wereld bezien. Zo gaat dat als je een eend bent.

In de lucht ben ik op gepaste afstand om het overzicht te behouden dat nodig is om te bepalen wat ik wel en niet moet doen om in leven te blijven. Maar ook al ben ik in mijn element van lucht en ruim, ik voel me niet meer vrij om te vliegen voor mijn leven. In rap tempo is de lucht heel vies geworden. Dat valt vooral op als ik boven de almaar groeiende stedelijke en industriële gebieden ben en moet laveren tussen de vele hoge schoorstenen met hun gigantische rookkolommen. De mensen, grondbewoners bij uitstek, denken dat ze daardoor lekker van hun troep af zijn, maar wat moet ik daar dan mee? Ze steken ééns per jaar zelfs voor hun lol de grootst mogelijke vervuilende giftige stoffen aan, die met een oorverdovend lawaai op mij af worden gevuurd. Maar het vreemdst vind ik nog wel dat het ook weer allemaal terug komt op de grond. De troep die het geeft! En ze ruimen het niet eens zelf op. De dieren die niet kunnen vliegen hebben het nog véél slechter dan ik, want eten vinden wordt zo wel erg lastig. En smerig!

En dan heb ik het nog niet eens over al die herriebakken van metaal die ons luchtruim doorkruisen en nog meer vervuiling opleveren. Wat een rare uitvinding van die aardbewoners. Ze zijn gewoon jaloers! Dan grijpen ze regelmatig naar hun gemeenste uitvinding ooit, het jachtgeweer en schieten ze ons zomaar uit de lucht! Ze hebben zelfs andere dieren getraind als hulpjes om ons dood te maken. Ze vrezen geloof ik dat we met teveel zullen zijn. Maar ze eten ons wél op! Gek hè?

Van gevarieerde bloeiende velden en lekkere wilde stukken grasland met takkenwallen en aangename verstopplekjes voor mij en al mijn andere vlieggenoten is bijna niets meer over. En de kwaliteit van het beetje eten dat er nog te vinden is, is achteruit gehold! Je moet ook nog uitkijken dat er niet van die rare knalpotten staan om je weg te krijgen. Mijn fysieke conditie lijdt er danig onder. Veel afstanden kan ik al niet meer in één keer overbruggen. En lekker uitrusten en bijkomen in het water is er niet meer bij: hoe vaak ik verstrikt raak in al die scherpe nylondraden met gemene weerhaakjes eraan. Veel soortgenoten komen daarbij om het leven. Zó zielig, want eigenlijk zijn ze bedoeld om vissen mee te vangen. Die zie ik ook vaak met wonden en littekens voorbij zwemmen en bedenkelijk kijken in het vieze zwemwater.

Nee, je kunt zeggen wat je wilt, maar wij bevuilen ons eigen nest niet.
Dat doen dieren niet. Ach, laat ik mijn snavel maar houden…pff…ben toch geen domme gans?