Nabij zijn

Het is écht waar! Binnen één week lees ik over twee nieuwe ziektes van deze tijd: “huidhonger” en “nomophobia” oftewel mobiele telefoon-verslaving. Bij eerstgenoemde is er een chronisch tekort aan lichamelijk contact en de lijders aan nomophobia zijn als de dood zo bang dat ze iets missen als ze de telefoon uitzetten. Volgens mij heeft het één alles te maken met het ander, want als je altijd een telefoon in je hand hebt die je constant aan je oor moet houden, zul je geen tijd meer over hebben om nog iets van wat voor een relatie dan ook te onderhouden. Ik zie al die bellers altijd met een nietszeggende blik de wereld inkijken of hun ogen zijn strak gericht op het minischermpje van de telefoon om berichten te lezen dan wel te verzenden.

Zo moet Brick Lane, hoe ironisch, in Oost-Londen door een experiment van de informatiedienst 118 in samenwerking met een liefdadigheids-instelling (hûh?) SMS-veilig gemaakt worden. Jaarlijks knallen 68.000 (!) sms’ende Londenaren met hun hoofd tegen een lantaarnpaal, vuilnisbak of andere voetganger op, soms met schedel-of andere botbreuken tot gevolg. Alle lantaarnpalen zullen worden omwikkeld met felgekleurde stootkussens waarop heel groot in zwarte cijfers het informatienummer is afgedrukt. Het wachten is op toestemming van de gemeente voor deze “cushion lane”.

In mijn vorige column schrijf ik over afstand houden en de teloorgang van de vrijheid van ruimte. Het lijkt paradoxaal maar in de gepaste afstand ligt het nabij zijn besloten. Constant van de ene kick naar de andere achter het eventuele gemis aanrennen met muziek in het hoofd en een telefoon in de hand, geeft geen gelegenheid tot contact. Het leidt slechts tot niet meer kunnen horen en zien waar het in de directe leefomgeving om gaat. Er is overal zóveel onrust in beelden en geluiden dat het alleen maar líjkt of er heel wat aan de hand is dat de moeite waard is. En die teleurstelling is de voedingsbodem voor elke verslaving. Aandachtig observeren vraagt om een houding die alleen maar sec waarneemt, zonder oordeel. In basis is daar stilte en rust voor nodig en pas dan is er ruimte voor nabijheid.

Bizar is het allemaal wel. Hoe meer mogelijkheden er zijn om te communiceren, hoe minder werkelijk contact er is. Er wordt altijd heel wat afgekletst om me heen maar zelden met mij. Oogcontact wordt vermeden, aanrakingen uit de weg gegaan en stilte opgevuld. In de dagelijkse ontmoetingen is weinig ruimte voor een vriendelijk woord, een klein gebaar, een open blik, laat staan een interessant gesprek op beschaafd volume dat spontaan ontstaat. Als het al gebeurt dan ben ik zeldzaam getroffen en aangenaam verrast alsof het iets uiterst bijzonders betreft.

Wellicht is er toch wat meer nodig om door de muren van achterdocht, angst en eenzaamheid heen te breken. Ik zie wel wat in het homeopathische principe van het gelijke met het gelijksoortige behandelen, dat in feite haaks staat op het polderlandse gedogen en “pamperen”. Confronteren op dezelfde golflengte is de enige manier om duidelijk te maken wat de consequenties zijn van het eigen onnadenkende gedrag. “Kijk voor je” en woorden van gelijke strekking zullen daarom niet meer werken. Ik zal creatiever moeten zijn en met de nodige humor te werk moeten gaan hopend op binnenkomst.
Heeft iemand nog goede ideeën? Mocht het onverhoopt tot een handgemeen komen, dan kan ik me nu gelukkig beroepen op het lenigen van de nood aan huidhonger.

printversie 1 vooruit index eerste 1 terug